Column: #DoeEensLief

Het duurde even voordat ik het opmerkte. Meestal ben ik er namelijk nog wel als jij ’s avonds komt. Als ik jou zie weet ik dat het me weer niet is gelukt om op tijd naar huis te gaan. Terwijl ik achter de PC mijn consulten nog uit zit te werken, zwier jij behendig met een zwabber door mijn kamer. Ondertussen praten we vaak even. En hoewel ik het idee heb dat ik, ondanks onze praatjes, eigenlijk niet zo veel van je weet heb ik jou voor mijn gevoel toch steeds beter leren kennen.

Waarschijnlijk komt dat meer door wat je doet en hoe, dan door onze gesprekjes. Ik denk terug aan december 2018. Onze afdeling was tijdelijk verhuisd naar de 4e etage in verband met de verbouwing. En wie kwam daar ’s avonds met haar kar onze verdieping oplopen? Inderdaad. Jij. Toen ik je enthousiast doch enigszins verbaasd begroette zei je: “Ja, ik heb gevraagd of ik met jullie mee kon verhuizen. Ik werk al zo lang bij jullie op de afdeling. Dat is toch veel gezelliger!” Je reactie ging gepaard met een grote en trotse glimlach. Ik denk ook terug aan de liefdevolle manier waarop je over jouw gezin spreekt.

En aan jouw poging optimistisch over te komen toen je door de coronamaatregelen van de zomer niet naar jouw familie kon. Ondanks het optimisme was de teleurstelling duidelijk voelbaar. Ik ken je misschien niet, maar ik zie je wel! Eerlijk gezegd verbaasde het me dus ook dat ik niet meteen in de gaten had dat ik jou nu niet meer zie.

Wat mij eigenlijk nog meer verbaast is dat jij nietsvermoedend thuis zit en niet weet dat ik nu inmiddels al maanden probeer jouw adresgegevens te achterhalen. Je blijkt ziek te zijn en ik wil je een kaartje sturen. Misschien bewandel ik niet de juiste wegen. Misschien wordt er gewoon heel zorgvuldig omgegaan met jouw privacy. Het resultaat is hetzelfde. Iedere keer als jouw vervangster mijn kamer in komt met haar zwabber weet ik niet alleen dat het me nog steeds niet lukt om op tijd naar huis te gaan, maar besef ik mij ook dat jij nog geen kaartje van me hebt ontvangen. Mijn frustratie is inmiddels overgegaan in verwondering. Want voor hoeveel andere situaties geldt eigenlijk niet iets soortgelijks? Hoe vaak denk ik iets aardigs zonder het daadwerkelijk uit te spreken? Hoe vaak bedenk ik een leuk plannetje zonder er actie op te ondernemen? Jammer eigenlijk! Want het is toch veel vriendelijker om de aardige dingen die regelmatig door mijn hoofd schieten om te zetten in een mooi en welgemeend compliment. En het is toch veel leuker om de creatieve ideeën die aan mijn brein ontspruiten te vertalen in een liefdevol gebaar of een grappige verrassing.

“Voor jullie.” Met een glimlach zet ik het doosje Celebrations op tafel bij de secretaresses. Een dag later tegen twee collega’s van een andere afdeling: “Ik dacht, ik loop toch nog even terug. Het is zo zonde om een compliment alleen te denken en niet uit te spreken naar de personen wie het betreft: ik word echt zó blij van onze samenwerking.” En ’s avonds thuis: zo, met mijn wijsvinger klik op de linkermuisknop ‘Bedankt voor uw bestelling’ verschijnt er in mijn beeldscherm. Al weken bedenk ik mij hoe k@k het voor mijn nichtjes en neefjes is dat ze thuis opgescheept zitten met hun ouders. En dat terwijl ze leeftijden hebben waarop je hen juist niet 24/7 op je nek wil hebben. Als het goed is vinden ze overmorgen een doos brownies in de brievenbus. Hopelijk helpt het om het voortdurende coronamaatregelenleed wat te verzachten. Waar frustratie over het niet kunnen sturen van een beterschapskaartje al niet goed voor is J. Helaas heb jij hier allemaal niets aan, lieve schoonmaakster. En de vaag is of ik je überhaupt dat kaartje nog zal sturen*. Over één ding bestaat echter geen twijfel. Straks als je terug bent zal ik in ieder geval tegen je zeggen wat ik denk. “Wat fijn je weer hier te zien. Ik heb je gemist!” 

* Marielles kaart heeft ondertussen zijn weg naar de schoonmaakster gevonden.

Mariëlle Maat is GZ-psycholoog in het Bravis ziekenhuis, seksuoloog in opleiding en gefascineerd door mensen en hun gedrag. In haar columns schrijft ze over situaties in het Bravis ziekenhuis die haar opvallen. En daarbij aarzelt ze niet om ook haar eigen gedachten en gevoelens onder de loep te nemen.


Fotografie: Daphne Krijgsman