Column: ‘Het is maar goed dat zij de behandelaren zijn!’

Langzaam worden de coronamaatregelen versoepeld en mogen we steeds een beetje meer. Dat komt mooi uit, want de nieuwsgierigheid van Mariëlle Maat (GZ-psycholoog bij het Bravis ziekenhuis) wil de wei weer in. Ze wil zich weer verbazen en verwonderen. Ze besluit daarom de laag COVID-19 stof van haar brein af te blazen en aan een nieuwe blog te beginnen. Een blog over haar ervaring bij het Pijncentrum, die ze half maart al had willen schrijven.

"Loop maar met mij mee.” Opgewekt loopt ze voor mij uit. “Ik weet nooit hoe het precies werkt met de maten. Pak er maar een en probeer maar gewoon. Er is er vast een die past.” Een paar minuten later sta ik met een loden beschermrok, -vest en -kraag naast de anesthesist, röntgenmedewerker en de enthousiaste doktersassistente, klaar om de eerste patiënt te ontvangen.

Een stramme manier van bewegen. Een wat donkere blik. Strakke kaakspieren. Spanning? Nee, dit is hoe pijn eruitziet. Het plaatsnemen op de behandeltafel gaat moeizaam, met wat hulp lukt het de patiënt toch. Mijn ogen knijpen zich samen en schieten heen en weer tussen de röntgenafbeelding en het anatomiemodel in de hoek van de kamer.. Naarstig zoek ik overeenkomsten. Vanuit mijn ooghoek zie ik hoe de naald door de huid glijdt en steeds verder de onderrug in verdwijnt. Inmiddels schuift er ook een vernieuwde röntgenafbeelding in. Aanwijzingen. Instructies. Ampullen. Verplicht even bijkomen in een kamertje aan de overkant van de gang en een controle afspraak over 6 weken.

Een nieuw lichaam. Lang, slank en oud. Opnieuw knijpen mijn ogen zich samen op zoek naar overeenkomsten. De door het röntgenapparaat geproduceerde afbeelding doet me nog het meest denken aan die keer dat ik samen met mijn vader het Forum Romanum bezocht. Mijn niet getrainde oog en mijn gebrek aan anatomische kennis maken dat mijn brein enkel de ruïnes waarneemt van wat een wervelkolom zou moeten zijn. Geconcentreerd blijf ik de, met iedere patiënt meeveranderende, röntgenbeelden afturen. Nauwlettend volgen mijn ogen iedere nieuw ingebrachte naald.

Ineens word ik overvallen door een golf warmte. Mijn hartslag versnelt en er prikt een zweetdruppel op mijn bovenlip. Flauwvallen? Nee. Schaamte. De afgelopen uren ben ik volledig in beslag genomen geweest door 'stukjes mensenlichaam'. Ineens besef ik mij dat ik de ‘mens’ op de onderzoeksbank volledig uit het oog ben verloren. Dat wat ik als psycholoog als vanzelfsprekend doe, contact maken met de patiënt, heb ik de hele morgen nagelaten.

Ik denk terug aan een aantal van mijn eigen ziekenhuiservaringen. Puzzelstukjes vallen op hun plek. Dit is dus wat er gebeurt. Artsen willen het misschien wel, maar worden er door hun werk mogelijk gewoon in belemmerd. (Sommige) Medische interventies vragen een opperste concentratie. Een enorme inspanning. Een minutieuze precisie. Ineens begrijp ik waarom het die ervaren (en bijna gepensioneerde) specialist wel lukte om tijdens die vreselijke ingreep de spanning te doorbreken met een grapje, terwijl die jonge arts in opleiding bij dezelfde ingreep geen woord tegen mij zei, waardoor ik het gevoel had aan mijn lot te zijn over gelaten. Ik denk terug aan de reeks patiënten die op de behandeltafel hebben gelegen vanmorgen en voel mij met terugwerkende kracht rot.

“Maar Jel…” ik zit met mijn man aan tafel en hij kijkt mij onderzoekend aan. “…die anesthesist. En die röntgenmedewerker en die vrolijke doktersassistente, die hebben toch aandacht besteed aan de patiënten en waren toch hartstikke aardig voor hen? Dat zit je net zelf te vertellen!” Ik slaak een kleine zucht van opluchting. Hij heeft gelijk. Het is maar goed dat zij de behandelaren zijn!

Fotografie: Daphne Krijgsman